Dagboek Venezuela-6 (slot)

Simón Bolívar: de held van Zuid-Amerika

Woensdag 27 februari is heel anders verlopen dan ik had gepland. Het was de dag van de herdenking van de Caracazo, de grote opstand van 1989 in Caracas die door veel Venezolanen gezien wordt als het begin van de Bolivariaanse revolutie. Het is ook de laatste dag van de International People’s Assembly, die zou worden afgesloten met het aannemen van een resolutie die steun betuigt aan het Venezolaanse volk in de strijd tegen het imperialisme. Na de conferentie zou ik dan meedoen met de demonstratie ter herdenking van de Caracazo.

’s Ochtend werd ik echter wakker met koorts en diarree. Ik moest overgeven. Ik voelde me helemaal niet lekker. De organisatie had een begeleider toegewezen aan mij en die liet een arts roepen. Ik had – samen met andere mensen – voedselvergiftiging opgelopen. De hele middag had ik diarree. Ik kreeg toen een zoutoplossing toegediend tegen uitdroging. In de avond ging het beter. Maar ik heb de hele dag niets kunnen doen. Het geeft je wel tijd om na te denken over de betekenis van de Bolivariaanse revolutie in de geschiedenis van Latijns-Amerika.

Amerika heeft een eeuwlang Latijns-Amerika gezien als haar achtertuin. Amerikaanse bedrijven domineerden hun economie en buiten de arbeiders uit. Amerika organiseerde bloedige militaire coups als er regeringen aan de macht kwamen die niet naar hun pijpen dansten. Regelmatig kwamen de volkeren van Latijns-Amerika in opstand.

Een belangrijk strategisch vraagstuk voor de leiders van de anti-imperialistische strijd was de vraag hoe je revolutie organiseert en wat moet de revolutie inhouden. Net als in andere delen van de wereld ontstonden in Latijns-Amerika Marxistische groepen die de Russische revolutie van 1917 als model zagen. Dat model hield in dat de arbeidersklasse een partij moest opbouwen met wortels in de arbeiders- en boerenbeweging. Deze partij – een voorhoede partij – moest het volk via educatie voorbereiden op een crisis en dan via een algemene staking de crisis gebruiken om de macht over te nemen en een nieuwe regering te vormen. Die regering moest dan bedrijven nationaliseren en een planeconomie opbouwen. Er zou een systeem worden opgezet van arbeiders- en boerenraden die het land zouden regeren. Het opbouwen van een voorhoede partij gaat lang duren.

Fidel Castro en Che Guevara lieten zien dat er een andere weg mogelijk was. In plaats van een politieke partij op te bouwen en te wachten op een economische en politieke crisis, zijn ze met een aantal jongeren een guerrillaoorlog begonnen vanuit het platteland van Cuba tegen dictator Batista. Castro was geen communist, maar een nationalist. Niet Marx en Lenin, maar de Cubaanse schrijver en activist José Marti was zijn voorbeeld. Hij wilde gewoon een dictator verdrijven en sociale rechtvaardigheid en de parlementaire democratie introduceren. Maar de Amerikaanse reactie op de Cubaanse revolutie dwong hem naar links. Castro wilde landloze boeren land geven. De Amerikanen waren tegen landhervorming. Castro wilde dat meer inkomsten uit de suikerexport naar het Cubaanse volk ging. De Amerikanen wilden hun suikerbedrijven beschermen. Dat conflict maakt duidelijk dat sociale hervorming in een Latijns-Amerikaans land geen interne aangelegenheid van dat land is. Je kunt geen hervorming doorvoeren zonder rekening te houden met de klauwen van het Amerikaanse imperialisme. De Amerikanen gaan hun hun bondgenoten in je land gebruiken om sociale hervorming tegen te gaan.

Met deze lessen in gedachten zijn in verschillende Latijns-Amerikaanse landen guerrillaoorloggroepen ontstaan, zoals de Tupamaros in Uruguay en de FARC in Colombia. Maar die hadden geen succes. Alleen in Nicaragua lukte het om dictator Somoza te verdrijven via een guerrillaoorlog. In het algemeen kun je zeggen dat de guerrillastrategie was mislukt.

Buiten Latijns-Amerika werd een andere strategie ontwikkeld. Het leger is de basis van staatsmacht. Binnen het leger heb je een top die verbonden is aan de elite, maar daaronder heb je een grote massa van soldaten, onderofficieren en officieren die uit de arme klassen komen. Daaruit zijn leiders voortgekomen die de staatsmacht overnamen door een militaire coup en vervolgens probeerden om de samenleving in te richten op basis van sociale rechtvaardigheid. In 1952 ondernam een organisatie getiteld de Vrije Officieren onder leiding van Gamal Abdel Nasser een coup tegen de koning van Egypte. In Libië kwam in 1969 Muammar Gadaffi via een coup aan de macht.

In Latijns-Amerika kwam luitenant-kolonel Omar Torrijos in 1969 via een staatsgreep aan de macht en probeerde sociale hervormingen door te voeren in Panama. In Venezuela ondernam Hugo Chávez in 1992 een coup vanuit het leger, maar die mislukte. Vervolgens nam de ontwikkeling in Venezuela een richting die progressieve krachten niet voor mogelijk hadden gehouden, namelijk de staatsmacht veroveren via parlementaire verkiezingen. Chávez richtte een politieke partij op en kwam in 1998 via verkiezingen aan de macht.

Er waren dus vier strategieën uitgeprobeerd door progressieve krachten om de staatsmacht te veroveren met als doel om een samenleving op te bouwen waar de grote massa van mensen in waardigheid en met sociale rechtvaardigheid kan leven: een revolutie geleid door een communistische partij, een guerrillaoorlog, een militaire coup vanuit het leger en het winnen van verkiezingen in een parlementaire democratie. Ongeacht de manier waarop een progressieve regering aan de macht komt, ze worden steeds geconfronteerd met dezelfde problemen.

Het eerste probleem is dat de oude elite zich nooit gewonnen gaat geven. Staatsmacht is niet de enige macht in een samenleving. Er is economische macht bij particuliere bedrijven. Er is culturele macht via de media en het onderwijs. Er is juridische macht via rechters. Er is internationale macht via het internationale economische, politieke en culturele systeem. De oude orde gaat al die vormen van macht gebruiken om tegenstand te bieden tegen een nieuwe politiek die de belangen van de arme massa’s voorop wil stellen.

Het tweede probleem is het probleem van economisch, sociaal en cultureel beleid. Castro werd gedwongen door de Amerikaanse economische boycot en de tegenstand van de Cubaanse elite om een planeconomie in te richten. Het nationaliseren van grote Amerikaanse bedrijven was oorspronkelijk geen onderdeel van zijn beleid. Het ontwikkelen van een economisch beleid ten dienste van de grote arme massa is geen gemakkelijke opgave als je te maken hebt met economische machten die je op alle mogelijke manieren zullen tegenwerken.

In Venezuela was de olie-industrie al genationaliseerd voordat Chávez aan de macht kwam. Maar de oude corrupte elite die de macht had, gebruikte de olie-inkomsten voor zichzelf. Chávez heeft dat veranderd en die inkomsten gebruikt om de levensstandaard van de gewone Venezolaan te verhogen. Er is dus geen planeconomie in Venezuela. De economische boycot van de Amerikanen schept grote problemen met als gevolg hoge inflatie en schaarste aan basisgoederen.

Het derde probleem is het probleem van participatie. In de Russische revolutie kregen de arbeiders en boeren een stem via gekozen arbeiders- en boerenraden. In Cuba werd het systeem van volksmacht opgezet, waarbij een parlement wordt gekozen door buurtcomités, vakbeweging en vrouwenorganisaties. Er zijn dus geen politieke partijen die strijden om de gunst van een kiezer.

In Venezuela heb je een parlementair systeem. Er zijn verkiezingen voor gemeenteraden, federale parlement en het nationaal parlement. In de afgelopen 20 jaar zijn er 25 verkiezingen geweest. In 2015 verloren de Chávisten de verkiezingen voor het nationale parlement. Dat parlement werd onmiddellijk gebruikt om een proces in werking te stellen om de regering ten val te brengen. De Chávisten hebben geleerd dat je de verkiezingen heel serieus moet nemen en geen moment je aandacht kunt verslappen. Verkiezingen zijn een periode van educatie en mobilisatie. Dat hebben ze geleerd.

In Venezuela is een revolutie aan de gang waarbij een revolutionaire regering staatsmacht heeft verkregen, maar veel andere onderdelen van de macht niet onder hun controle is. Dat betekent dat de strijd voor een samenleving met waardigheid en sociale rechtvaardigheid voor de massa nog een lange weg te gaan heeft.

Sandew Hira

VANDAAG