Tribale volken van Suriname

Logo Stichting Royal Fiiman Paansu

De grondenrechten van de inheemsen en marrons in Suriname staan al decennialang ter discussie. Deze rechten hebben betrekking op onder andere hun gronden, woon- en leefgebieden en hulpbronnen. Volgens de Grondwet van Suriname en wel artikel 48, is de staat eigenaar van alle natuurlijke rijkdommen en hulpbronnen. Dit staat echter in schril contrast met het internationale recht, dat de rechten erkent op de gebieden waar zij wonen en werken. Met de koloniale besturen werden verdragen gesloten, die hun rechten op territoriale en politieke autonomie erkennen. Deze rechten worden echter niet nageleefd, trots de tribale volken voldoen aan de internationale definitie van “in stamverbandlevende volken”.

De tribale volken hebben hun recht gezocht bij de Inter-Amerikaanse Mensenrechtencommissie en het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens van de Organisatie van Amerikaanse Staten. De Amerikaanse Verklaring inzake de Rechten van Inheemse Volken (paragraaf 5 van de preambule) en artikel XVIII: erkent de gronden en territoria die inheemse volken historisch hebben bewoond en bewerkt en hun traditionele landbouwmethoden. Onder “bewonen” en “gebruiken” wordt niet alleen bebouwen of cultiveren verstaan, maar alle vormen van landgebruik, inclusief jagen, verzamelen en vissen.

De staat Suriname werd in november 2007 veroordeeld in de Moiwana-zaak van 2005 voor schending van het recht op grondbezit van de in stamverbandlevende gemeenschap. In dit vonnis is onder andere opgenomen dat het grondgebied van de stam der Saramaccaners gedemarqueerd moet worden en dat de grenzen met de omliggende stammen duidelijk vastgesteld dienen te worden. Het Inter-Amerikaans Hof stelde dat het eigendomsrecht voortvloeit uit het traditioneel bewonen en gebruiken van gronden door de desbetreffende gemeenschap, zoals gedefinieerd in haar gewoonterecht. Ook stelde het dat deze eigendomsrechten niet afhankelijk zijn van de nationale wetten van Suriname.

Op 21 en 22 oktober 2011 werd er te Colakreek een grondenrechtenconferentie georganiseerd. De bedoeling van deze conferentie was om met alle betrokken partijen te komen tot een strategie voor de oplossing van het grondenrechtenvraagstuk. Deze conferentie werd op de tweede dag abrupt beëindigd.

Tot op heden zijn er nog geen besluiten genomen en blijven de tribale volken in onzekerheid leven en zien steeds meer van hun gebied in handen komen van derden. Ook nemen de economische activiteiten toe, zonder dat de tribale volken er voordeel aan hebben, integendeel worden hun tradities en leefgewoonten ernstig verstoord en wordt het leven steeds moeilijker.

Een structurele oplossing is op zo kort mogelijke termijn gewenst, waarbij transparantie en duurzame ontwikkeling kernwaarden dienen te zijn. De meest voor de hand liggende oplossing in dit geval, is het in het leven roepen van een “beheergroep” per afgebakend gebied. Deze zal moeten bestaan uit de afgevaardigden van de overheid, het traditioneel gezag en de bewoners. Deze beheergroep moet het gebied als een onderneming managen, met in acht name van de tradities en gewoonten.

Reeds uitgegeven concessies moeten onder een vergrootglas worden geplaatst, waarbij nagegaan moet worden of deze voldoen aan de door de beheergroep vastgestelde regels. Indien niet, moet met de houder van deze concessie heronderhandeld worden, met als doel herziening van gestelde regels. Nieuwe aanvragen zullen moeten voldoen aan de nieuwe gestelde regels. Het dorpsbestuur moet ontwikkelingsplannen indienen, die samen met de beheergroep zullen worden getoetst aan de haalbaarheid en functionaliteit. Deze plannen zullen dan met de ontvangsten van de “onderneming” worden gefinancierd. Net zoals het elke bonafide onderneming betaamt, zal ook deze “onderneming” zich moeten houden aan communicatie, transparantie en het overleggen van een door een accountant goedgekeurd jaarverslag.

Op deze wijze worden de tribale rechten erkend, de ontwikkeling wordt ter hand genomen en zowel de overheid als de gemeenschappen delen in de opbrengsten. Ons land Suriname loopt ook niet het gevaar om veroordeeld te worden door het Inter-Amerikaans Hof. Zo een veroordeling heeft altijd negatieve gevolgen voor onze staat en is niet goed voor de ontwikkeling van ons land in totaliteit. Dit moet echter zo spoedig mogelijk worden aangepakt, want hoe langer er wordt gewacht, hoe ingewikkelder de situatie wordt en dus hoe moeilijker de duurzame oplossing.

Gestructureerd samenwerken en duurzaam ontwikkelen, zal de bonafide investeerder zeker prikkelen!

Stichting Royal Fiiman Paansu

VANDAAG