De uitspraak “Oorlog tegen armoede” is niet te criminaliseren

Print Friendly, PDF & Email

De term “Oorlog tegen armoede” wordt als sinds 1964 gebruikt. Het werd voor het eerst gebruikt door de president van de Verenigde Staten, Lyndon Johnson, tijdens zijn State of the Union-toespraak van 8 januari 1964. Hij gaf aan dat je de armoede kunt verslaan door een sterk nationaal beleid. Dat betekent dus ook “Oorlog tegen een regeringsbeleid”, wat de verantwoordelijkheden van diverse vormen van armoede bij de mensen zelf legt.

Lyndon Johnson stelde vervolgens een pakket wetgevende maatregelen voor om armoede te bestrijden, die naar schatting 19 procent van de bevolking trof. De State of the Union-toespraak werd gevolgd door de stemming van het Congres, voor aanname van de diverse wetten: de Wet economische kansen om lokale aanvragen van federale fondsen voor armoedebestrijding te beheren, evenals de Wet op sociale zekerheid uit 1965.

Dit Johnsoniaanse beleid, van onderwijs tot sociale zekerheid, maakte deel uit van zijn programma de “Grote Maatschappij” en streefde de doelstellingen na van de vier vrijheden, eerder benoemd door oud-president Roosevelt.

De vrijheid van meningsuiting: vrijheid van meningsuiting of vrijheid van expressie is de vrijheid van burgers om hun overtuigingen kenbaar te maken, zonder voorafgaande controle door de staat.

De religieuze vrijheid ook wel vrijheid van godsdienst genoemd: het houdt in dat men de vrijheid heeft zelf te kiezen om tot een godsdienst toe te treden en deze te belijden en beoefenen. Zij biedt ook de ruimte te kiezen voor een godsdienstloze levenshouding.

De vrijheid om te leven in de beschutting van nodig hebben; elk mens heeft recht op diverse basisbehoeftes zoals een dak boven het hoofd, recht op schoon drinkwater en elektriciteit, gezonde voeding, onderwijs en gezondheidszorg.

De vrijheid om te leven in de beschutting van angst: elk mens heeft het recht op leven zonder angst voor onderdrukking in welke vorm dan ook.

Vrijheid is nu een centraal begrip in de mensenrechten geworden, waar het in een groot aantal betekenissen en verbindingen wordt gebruikt. Het is een recht of vrijheid die door een grondwet of fundamentele wet is gegarandeerd en die vrij is van slavernij, gevangenschap of onderdrukking.

Maar er is ook een andere kant aan het verhaal van de vrijheid. De afgelopen 250 jaar is de roep om vrijheid ook door de diverse politieke beleidsmakers en/of partijen gebruikt om de belangen van de elite te verdedigen. Volgens hen gaat het bij echte vrijheid niet om de collectieve controle over de overheid, maar om het privé-genot van het leven en goederen. Het liberaal kapitalistisch denken noemen we dat nu. Deze groep gaat ervan uit dat elke mens zelf verantwoordelijk is voor zijn inkomen en daarin neemt de staat weinig verantwoordelijkheden.

Daar staat tegenover de socialistische politiek: socialisme is een politieke maatschappijvorm, en ook een economische filosofie gebaseerd op het collectief eigendomsrecht van de productiemiddelen. Elke mens heeft recht op……. Kerngedachte binnen deze stromingen is dat het collectief, het volk, de hoogste beslissingsbevoegdheid heeft over de verdeling van macht en goederen. Ons bewust zijn van deze geschiedenis kan ons helpen begrijpen waarom mensen vandaag de dag hetzelfde woord ‘vrijheid’ kunnen gebruiken om twee heel verschillende dingen aan te duiden.

Als je honger hebt en geen dak boven je hoofd, wat heb je dan aan vrijheid? Het enige waar je dan nog mee bezig bent is te overleven. “Je wordt geboren in een gezin vol zorgen, die pak je mee naar school. Daardoor gaat het moeilijk en eindig je zonder diploma, vind je moeilijk werk, wat leidt tot financiële zorgen, belabberde huisvesting, wankele gezondheid…” (Cindy van Geldorp, Netwerk tegen Armoede).

Betekenis van armoede is een situatie waarin sprake is van onvoldoende materiële, culturele en sociale middelen, waardoor mensen zijn uitgesloten van een levensstandaard die in de samenleving waarin men woont als minimaal wordt gezien.

Armoedebestrijding is een proces dat zich richt op het verminderen van armoede in een gemeenschap of groep van individuen. Armoedebestrijding kan betrekking hebben op absolute of relatieve armoede. Bij relatieve armoede worden de levensomstandigheden van een groep of persoon beoordeeld in verhouding met zijn omgeving. Het is dus feitelijk een index voor inkomensongelijkheid. Absolute armoede betekent dat iemand leeft op de rand van het bestaansminimum. Volgens de VN-richtlijnen is een inkomen van US$ 1,95 per dag, leven op de rand van het bestaan.

Economische groei, ook volumegroei genoemd, wordt gebruikt als een indicatie van de reële toename per persoon van de materiële welvaart.

Het is van belang om economische groei en uitbreiding van economische branches te bewerkstelligen en die inkomsten in te zetten voor diverse zorgtaken van een regeringsbeleid om armoede te bestrijden zoals:
- Eenieder heeft toegankelijkheid tot basisgoederen zoals gezonde voeding.
- Eenieder heeft recht op onderwijs en gezondheidszorg.
- Eenieder heeft recht op huisvesting, water en elektriciteit.
- Bij geen of te weinig inkomen een financiële bijdrage door regering die volstaat om
mensen uit de absolute armoede te halen.
- Meer mensen aan een vaste baan helpen. En zorgen dat zij deze baan ook houden.
- Een coherent en effectief armoedebeleid vertrekkende vanuit de ervaringen van mensen
in armoede die gerelateerd zijn aan de mensenrechten.

Het rapport van de VN wat is bedoeld om armoede te bestrijden kan ondersteunend zijn voor diverse beleidsmakers: “Better Business, Better World” brengt precies in beeld hoe diverse investeringen de economie een duw in de rug kunnen geven en waarin de armoede tegelijkertijd wordt bestreden.

Marie-Louise Vissers
Advies, consultatie en politiek development bureau Mawini
[email protected]

VANDAAG