Onze verantwoordelijkheid

Meera Nankoe neemt stelling tegen de slechte positie van onder anderen Hindoestaanse vrouwen. Dat wordt haar niet altijd in dank afgenomen. Foto: Amaury Miller

In de Hindostaanse gemeenschap in Nederland is er een discussie aan de gang over de vuile was buiten hangen. Waar gaat het om? Meera Nankoe heeft de knuppel in het hoenderhok gegooid. In een interview met het rechtse dagblad De Telegraaf, kaart ze het geweld aan dat Hindostaanse mannen uitoefenen op Hindostaanse vrouwen. De racistische Telegraaf praat over de geweldscultuur die vanuit India zou zijn meegenomen en een uitdrukking zou zijn van de achterlijkheid van de Hindostaanse cultuur, en dat past weer in het Westerse idee van de achterlijkheid van Aziatische culturen.

Het is gemakkelijk om vanuit een antiracistisch standpunt Nankoe te bekritiseren die de voedingsbodem van racisme versterkt met verhalen over de achterlijkheid van de Hindostaanse cultuur omdat sommige mannen vrouwen slaan. Want bestaat er in de witte gemeenschap geen geweld tegen witte vrouwen? Hoe zijn de blijf-van-mijn-lijf huizen in Nederland ontstaan? Er zijn 30 opvangcentra die jaarlijks duizenden vrouwen opvangen. Witte Nederlanders vormen de grootste groep, blijkt uit hun jaarverslag. Waarom wordt de Nederlandse cultuur niet aangeduid als een geweldscultuur?

Ik kan Nankoe gemakkelijk vanuit deze invalshoek bekritiseren. Maar dat wil ik niet. Ik wil haar ondersteunen in haar poging om aandacht te vragen voor geweld tegen Hindostaanse vrouwen door Hindostaanse mannen. Ik vind dat we onze vuile was zelf naar buiten moeten brengen en zelf moeten schoonmaken.

Er is een probleem en dat moeten we niet ontkennen. Onze dochters, moeders, zusters en vrouwen worden soms op een beestachtige manier behandeld door Hindostaanse mannen. Niet alle mannen doen dat en ik durf te stellen dat het zelfs om een minderheid van mannen gaat. Ik denk dat veel mannen van hun vrouwen houden en veel vaders zielsveel om hun dochters geven.

De stem van vrouwen die mishandeld worden, moet gehoord worden. Hun verhalen moeten een podium krijgen. En dan moet de vraag gesteld worden: waar waren de broers, de vaders, de zonen die weten van die mishandeling en daar niets tegen gedaan hebben. Zij moeten zich schamen. We moeten onze kinderen leren dat ze hun stem moeten verheffen tegen mannen die zo laf zijn dat ze geen enkele schaamte voelen om een vrouw te slaan. Hindostaanse mannen moeten in de maatschappelijke discussie de zijde kiezen van Hindostaanse vrouwen, ook al maken deze vrouwen, zoals Nankoe, geen onderscheid tussen mannen die liefhebben en mannen die haten en daardoor de Hindostaanse cultuur als een achterlijke cultuur presenteren wat racisten graag willen. Vanuit hun ervaring is het alleszins begrijpelijk dat ze vooral de mannen zien die kunnen haten in afwezigheid van mannen die kunnen liefhebben. Hindostaanse vrouwen die andere ervaringen hebben met liefde zullen ook van zich laten horen, maar dat kan niet gebruikt worden om de ervaringen van vrouwen die geweld hebben ondergaan weg te zetten of te vervangen.

Hoe lossen we het probleem van geweld tegen Hindostaanse vrouwen op?

Ten eerste door te erkennen dat dit probleem bestaat en de ruimte te scheppen in onze gemeenschap om dat probleem kenbaar en bespreekbaar te maken.

Ten tweede door een verschil in positie te maken tussen mannen en vrouwen. Vrouwen zijn slachtoffers van geweld. Mannen zijn daders. Niet alle vrouwen en niet alle mannen, maar het omgekeerde is niet het geval, dat overwegend mannen door vrouwen worden geslagen. En dat is niet een ontkenning van het feit dat sommige vrouwen ook heel gemeen kunnen zijn en mannen vreselijke dingen kunnen aandoen. Laten vrouwen hun ervaringen met mannen maar delen, de positieve en de negatieve.

Ten derde, er moet een gezamenlijke aanpak komen voor dit probleem. Dat kan van alles en nog wat zijn, maar het begint met een stem te geven aan vrouwen die geweld hebben ondergaan tegen mannen. En dan kan van alles en nog wat daaraan gekoppeld worden: gesprekken, discussiebijeenkomsten, het bekendmaken van voorzieningen die er zijn zoals de opvanghuizen en een klimaat scheppen dat teruggaat naar dat wat mensen in een gemeenschap hoort te binden: liefde.

Ik geloof in redelijkheid en denk dat Meera – die mijn dochter had kunnen zijn – vroeg of laat zal zien dat er in de Hindostaanse gemeenschap niet alleen mannen bestaan die haten en geweld gebruiken maar ook mannen zijn die kunnen liefhebben: een vader, een zoon, een broer, een echtgenoot. En dat het oplossen van het probleem van geweld zal komen vanuit gezamenlijke stappen van mannen en vrouwen.

Sandew Hira

VANDAAG