Jantje en Surikol

In het bijzijn van vicepresident Ashwin Adhin werd het standbeeld van Janey Tetary op 24 september 2017 onthuld op de plek waar het beeld van de toenmalige Nederlandse agent-generaal Barnet Lyon voor het laatst stond. Foto: NII

De jaarrede van de president, uitgesproken door vicepresident Ashwin Adhin, opende met het verhaal van Janey Tetary, haar strijd en de moord op haar. Het gaat in op de geschiedvervalsing over de rol van Barnet Lyon, die verantwoordelijk is voor de moord op Tetary en de noodzaak om onze geest, onze mind, te dekoloniseren.

Jaarrede: “Deze misdaad is langer dan 130 jaar verzwegen voor generaties daarna. Bovendien hebben de koloniale machthebbers deze misdaad en alles eromheen vervalst vastgelegd. Een grove vorm van geschiedvervalsing!”

Terecht stelt de jaarrede dat het visie, durf en daadkracht vereist om dit te doen. Waarom? Omdat het vereist dat je een strijd durft aan te gaan tegen Jantje. Jantje is de witte man, de kolonisator, die niet alleen bezit heeft genomen van het land van de Inheemsen, maar ook van de geest van de gekoloniseerde mens. Je hebt twee soorten Surinamers. De Surinamer die zich geestelijk heeft bevrijd van kolonialisme, de vrije Surinamer. En dan heb je de Surinamer die nog volledig gekoloniseerd is in zijn of haar geest, Surikol.

Als Surikol Jantje ziet, dan wordt hij bang en blij. Bang voor zijn macht en woede als hij durft op te staan tegen Jantje. Jantje is machtig. Jantje kan je pijn doen. Je moet nooit tegen Jantje ingaan. Jantje kan je ontwikkelingshulp stoppen, Jantje kan je subsidie stopzetten. Jantje kan je visum weigeren. Maar Surikol wordt ook dolblij als hij in de buurt van Jantje is. Blij omdat zijn kleur wit is, hoe witter, hoe mooier. Als Jantje een puf laat, dan zegt Surikol: “Het ruikt naar parfum.” Surikol is nederig en onderdanig voor Jantje.

We hebben een heleboel Surikol’s in Suriname. Het vereist dan ook moed en durf om tegen Jantje in te gaan, want Surikol is de eerste die zal opstaan om Jantje te verdedigen. En in de Surinaamse samenleving heeft Surikol nog steeds macht: in de media, in politieke partijen, in de economie, overal zitten de Surikol’s, ook in het onderwijs.

Neem professor Chan Choenni. Choenni gebruikt een merkwaardig argument voor het behoud van het standbeeld van Barnet Lyon. Hij zegt dat deze Jantje Hindostanen een hand heeft gegeven, terwijl Hindostanen elkaar geen hand willen geven vanwege het kastenstelsel. Je zou denken dat hij vervolgens het archief induikt en dan een stuk tevoorschijn haalt waarin staat: “Barnet Lyon heeft op 12 februari 1884 een Hindostaan een hand gegeven.” Tegelijkertijd zou hij dan stukken vinden waarin staan: “Hindostanen weigeren massaal om elkaar een hand te geven.” Maar niks van dit alles. De professor is niet in het archief gedoken, maar in zijn fantasie. Hij fantaseert erop los en op basis daarvan pleit hij voor het behoud van het standbeeld van Barnet Lyon. Misschien heeft Barnet Lyon een Hindostaan een hand gegeven. Misschien ook niet. Maar laten we voor de zekerheid we hem een standbeeld geven hiervoor, denkt de Surikol. Hoe dom kan een professor zijn.

Eenzelfde redenering hebben we gezien bij het standbeeld van Alonso de Ojeda, gemaakt door Erwin de Vries. Alonso de Ojeda was een Spaanse misdadiger die duizenden Inheemsen heeft vermoord. In de geschiedschrijving van de Surikol’s is hij een ontdekkingsreiziger die misschien Suriname heeft aangedaan. Het is onzeker of dat zo is. Er is een Spaans schip langs Suriname gevaren waarin Alonso de Ojeda zat. We weten niet of hij Suriname heeft aangedaan of zelfs gekeken heeft naar het land. Misschien lag hij te slapen. Misschien ook niet. Maar voor de zekerheid geven de Surikol’s hem een standbeeld voor het geval hij niet lag te slapen en daadwerkelijk Suriname heeft gezien. Voor het kijken is een standbeeld al genoeg in de geesteswereld van de Surikol.

Iemand heeft het standbeeld van Alonso de Ojeda weggehaald en niemand weet wie het is geweest, hoe hij het heeft gedaan en waarom hij het heeft gedaan. Het is jammer. Het zou beter zijn geweest om dat standbeeld te vervangen door een standbeeld van een Inheemse vrouw, bijvoorbeeld van Anacaona. Anacaona was een Inheemse prinses op Haïti die de strijd heeft geleid tegen de Spaanse Jantjes. Ze werd gevangengenomen en kon kiezen om een concubine, een bijvrouw, te worden van een Spaanse officier of om geëxecuteerd te worden. Ze werd op 29-jarige leeftijd opgehangen omdat ze weigerde een bijvrouw te worden. Ze liet haar volk zien dat sterven met waardigheid en respect belangrijker is dan leven met verkrachting en vernedering. Ze leeft vandaag de dag voort in de herinnering van veel Inheemsen die haar moed en durf bezingen. De vervanging door het standbeeld van Alonso de Ojeda door die van Anacaona zou de daad van verzet compleet maken.

Het standbeeld van Tetary is iets waar alle Surinamers trots op zijn. Voor Hindostanen is er een extra reden om een Hindostaanse heldin zo erkend te zien worden door de hele samenleving. Je zou verwachten dat een partij als de VHP met een traditioneel Hindostaanse achterban die trots zou omarmen. Zij zou voorop moeten lopen om de gedachte uit te dragen dat de samenleving trots zou moeten zijn op Hindostaanse vrouwen zoals Tetary. In plaats daarvan zwijgt VHP-leider Chan Santokhi als een graf. Wat zouden de nazaten van Tetary daarvan moeten denken?

Suriname heeft nog een lange weg te gaan in de strijd tegen Jantje. De Surikol’s zijn nog lang niet verslagen.

Sandew Hira

VANDAAG