Nogmaals: Wet Constitutioneel Hof niet in werking getreden

1. Aanleiding: reactie op Van den Boogaard
Hierna volgt een reactie op het artikel van mr. Ed H.J. van den Boogaard getiteld “Wet Constitutioneel Hof wel in werking getreden”, verschenen op 19 juli 2020 op Suriname Herald. Van den Boogaard gaf zijn mening naar aanleiding van mijn bijdrage van 10 juli 2020, met de titel “Valt het doek voor het Constitutioneel Hof? Wet Constitutioneel Hof niet in werking getreden”, eveneens verschenen op Suriname Herald.

In de kern houdt het standpunt van Van den Boogaard in dat artikel 118 van de Grondwet toelaat dat het tijdstip van inwerkingtreding van een wet door de president van de Republiek Suriname wordt bepaald. Van den Boogaard verwijst naar de Memorie van Toelichting op het ontwerp van de Grondwet van 1975, de Memorie van Toelichting behorende bij de Wet Elektronische Uitgifte Staats- en Advertentieblad en Nederlandse opvattingen over onder andere delegatie. Van den Boogaard concludeert dat de president het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet Constitutioneel Hof bij resolutie kan bepalen en aangezien hij dat ook heeft gedaan, die wet in werking is getreden.

2. Een beknopte bespreking van het standpunt
Het valt op dat Van den Boogaard om tot de inhoud van artikel 118 van de Grondwet door te dringen, dus doel en strekking van het grondwetsartikel aan het licht te brengen, nalaat een uitdrukkelijk door de regering gegeven interpretatie te bespreken. Er wordt door de regering zelfs expliciet aangegeven dat artikel 118 ‘imperatief’ voorschrijft dat “de wijze van afkondiging van wetten (…) en het tijdstip, waarop zij aanvangen verbindend te zijn bij wet moet worden geregeld.” Er komt ook nog eens de volgende zin voor: “Een besluit van dergelijke importantie kan slechts door de wetgever worden genomen.” Er wordt daarbij enkel over wetgever en regering gesproken, niet over de president. Dat alles is voor Van den Boogaard echter geen reden om bij stil te staan.

Van den Boorgaard kiest ter onderbouwing van zijn standpunt ervoor om naar de Memorie van Toelichting van de Grondwet van 1975 te verwijzen, terwijl die Grondwet geen gelding meer heeft. In het midden blijft of die toelichting in de grondwettelijke rechtsorde van 1987 relevantie toekomt. De tekst “Een wet treedt in werking op de dertigste dag na haar afkondiging, tenzij zij anders bepaalt”, kan niet in de context van de onafhankelijkheidsgrondwet bezien worden. Die tekst is geplaatst in de Wet op de afkondiging van wetten en staatsbesluiten (WAWS) en bevat zelf een Memorie van Toelichting. De uitleg dient dan ook primair aan de hand van de WAWS en haar toelichting te geschieden en dat doet Van den Boogaard niet.

In het betoog van Van den Boogaard is blijkbaar de Memorie van Toelichting op de Wet Elektronische Uitgifte Staats- en Advertentieblad (WEUSA) van betekenis. Ook nu weer geldt dat beroep wordt gedaan op een toelichting, die behoort tot een wet die niet van toepassing is.

Van den Boogaard schrijft dat Changoer over het hoofd ziet dat artikel 118 van de Grondwet delegatie toelaat. In de bijdrage van Changoer valt op het tegendeel te wijzen, zie onder meer:
– Pagina 4, “Vervolgens kan voor een bevoegdheid van de president om het tijdstip van inwerkingtreding van wetten vast te stellen, gezocht worden in de wet die specifiek ter uitvoering van artikel 118 van de Grondwet van toepassing is.” Zie ook pagina 5.
– Pagina 8, “Vervolgens is in de wet op de afkondiging van wetten en staatsbesluiten uitdrukkelijk een voorschrift voor het tijdstip van inwerkingtreding van wetten gegeven. Daarbij is niet beoogd om een andere regelgever mede bevoegd te maken het tijdstip van inwerkingtreding van wetten vast te stellen.”

De vraag is niet of artikel 118 van de Grondwet delegatie toelaat, maar of de wetgever van die delegatiemogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Daarvoor is relevant de wet die ter uitvoering van artikel 118 van de Grondwet van toepassing is. Het betreft de WAWS. In die wet staan de regels met betrekking tot de inwerkingtreding van nader tot stand te brengen wetten. Aan de hand van die regels kunnen wetten inwerkingtreden. In de WAWS is niet de mogelijkheid voor de president geschapen om het tijdstip van inwerkingtreding van wetten te bepalen. Er hoort daarvoor een bepaling te zijn strekkende dat ook bij resolutie het tijdstip van inwerkingtreding van wetten kan worden bepaald. Dat is niet gebeurd.

In de opvatting van Van den Boogaard kan de wetgever bij elke nader in te voeren wet, dus bijvoorbeeld voor de Wet Constitutioneel Hof en de WEUSA, op grond van artikel 118 van de Grondwet bepalen dat de president het tijdstip van inwerkingtreding daarvan zal vaststellen. Die opvatting is onjuist. De interpretatie van Van den Boogaard staat haaks op doel en strekking van artikel 118 van de Grondwet.

Met artikel 118 van de Grondwet is door de grondwetgever beoogd dat de wetgever algemene regels geeft voor de afkondiging en inwerkingtreding van wetten. Bovendien dient opgemerkt te worden dat de WAWS nog steeds van toepassing is. Dat brengt mee dat de regels voor inwerkingtreding van wetten, in de WAWS zijn opgenomen en die heeft de wetgever na te leven.

Een bevoegdheid voor een andere regelgever hoort uit de WAWS te blijken, want daarin staan de voorschriften die gelden voor de inwerkingtreding van wetten. Waarom heeft de wetgever dwingende voorschriften in de WAWS voor de inwerkingtreding van wetten geformuleerd? Van den Boogaard laat trouwens in het midden hoe zijn interpretatie zich verhoudt tot de WAWS. De wetgever hoort zolang de WAWS van toepassing is, die in acht te nemen.

Het betekent dat de Wet Constitutioneel Hof uitsluitend met in achtneming van de bepalingen die voor inwerkingtreding van wetten gelden, dus binnen de kaders van de WAWS, van toepassing kan worden. Het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet Constitutioneel Hof hoort de wet te bepalen en niet een resolutie. Het voorgaande geldt trouwens ook voor de WEUSA.

3. De Nederlandse situatie
Het is niet duidelijk wanneer Van den Boogaard in zijn bespreking de Nederlandse situatie betrekt. Opvallend is dat hij de Nederlandse situatie aanstipt, indien die tot steun bijdraagt. Een systematische analyse ontbreekt, in het midden blijft of de wetteksten overeenstemmen, of de stelsels van inwerkingtreding van wetten vergelijkbaar zijn, om enkele voorbeelden hier te noemen. Van een met Suriname identieke of desnoods vergelijkbare situatie is niet gebleken.

Mr. Dinesh R. Changoer
info@advocaatchangoer.nl

VANDAAG